Woord & Dienst – Verre reizen

Wie verre reizen doet, in de boekenkast, komt nog eens ergens. De leunstoel wordt een virtuele plaats in het vliegtuig de kaft van het boek groeit uit tot twee vleugels en daar gaat de reis!

Zo kwam ik in gebieden die beslist niet tot mijn geboortegrond behoorden. Toch spreek ik niet over verre landen. Nee, het is nog veel verder weg: de meesterverteller W.G. van der Hulst bracht mij op het reformatorisch erfgoed, eenterra incognita in het overige verzuilde Nederland. Voor mij als buitenstaander was zijn verteltechniek wellicht duidelijker dan voor de gereformeerde jonge lezer. Zo viel het mij al snel op dat de tocht van het eendje dat van huis weggelopen was in termen van omkeer en vergeving werd beschreven, de Verloren Zoon, zeg maar. Haast apocalyptisch was het verhaal van het meisje dat in de sneeuw bij de grote kerkklok uitkwam. Maar ik moet toch iets langer met u stilstaan bij Rozemarijntje. Alweer is het verhaal doordrenkt van Bijbelse motieven, maar op een wijze die zwaar op de borstkas kan drukken voor wie er in is opgevoed. Er is een boerenjongetje, er is de levenslustige Rozemarijntje en er is de gemene Lange Pier. Tot zover niets aan de hand. Laat ik vertellen wat er gebeurt. Rozemarijntje rent over de speelplaats als de slungelachtige Lange Pier zijn been uitsteekt en zij gemeen ten val komt. Het boerenjongetje balt zijn vuistjes en gaat grote Pier te lijf. Dit alles is prima kinderboekenthematiek, nobel en voor geen misverstand vatbaar als het gaat over goed en kwaad. Maar dan betreedt de meester de speelplaats. “Halt”, roept hij (waar de man het volste recht toe heeft,), “wat gebeurt hier, in mijn koninkrijk“? Kijk, en hier gaat hij te ver. Rozemarijntje, jij was wild” (akkoord, zeg ik), en de welwillende vermaning tegen het boerenjongetje kan ook nog door de beugel. “Maar jij, Lange Pier, jij was vals! Uit mijn ogen!” En hoe het beschreven staat weet ik niet meer, maar ik zie Lange Pier schuins kijkend, schichtig zich terugtrekken, gebogen als Kaïn en op weg een misdadiger te worden.

Er is geen twijfel aan, hier is iemand aan het woord die in gezag niet onderdoet voor de Allerhoogste zelf.  Streng, maar rechtvaardig, onfeilbaar ook, zonder enig twijfel aan het oordeel dat definitief en onverbiddelijk is. Geen wonder dat het voor een generatie die deze boeken heeft ingedronken moeilijk is om de religie binnenboord te houden als de rest van het gezag aan het wankelen slaat. Wat hier gebeurt is het overschrijden van een grens: wij mensen kunnen ons Gods oordeel niet toe-eigenen en wij doorgronden onze medemens niet ten volle, evenmin als onszelf trouwens. In dat opzicht heeft de bijbel gelijk: we moeten God meer gehoorzamen dan mensen. W.G. gaat te ver, maar hoe hij dat doet verraadt wel de meester-verteller.

Marcel Poorthuis
Woord & Dienst, januari 2010