Woord & Dienst – De wijsheid van pastoor Poncke

In de boekenkast van mijn ouders stonden een aantal stevig ingebonden romans. Eén ervan was Pastoor Poncke in Vlaanderen. De schrijver Jan Eekhout was protestants, schreef loodzware streekromans over schuld en dood, die ik als kind ook maar las, zij het wat beangst.
Dezelfde Eekhout bewoog zich richting nationaal socialisme, waarvan hij na de oorlog spijt had. Maar dat boek Pastoor Poncke, wat was dat een verademing! Ik vond het al heel geweldig om te lezen dat de man met sierlijk schrift zijn preken geheel uitschreef om dan elke zondag voor de vuist weg een heel ander verhaal te vertellen.  En op een goede zondag – ik vertel het maar zoals ik het me herinner – wist Poncke werkelijk niet wat hij zijn beminde gelovigen moest vertellen. Hij klom op de preekstoel en sprak: “beminde parochianen, weet u het?”  “Wij weten het niet”, klonk het antwoord. “Dan heeft het ook geen zin dat ik het u probeer te vertellen”, sprak Poncke en keerde terug naar het altaar om de viering voort te zetten.  De volgende zondag sprak vroeg patsoor Poncke weer: “weet u het?”De parochianen wilden niet dezelfde fout van vorige week maken en riepen: “wij weten het”. “Dat is goed, dan hoef ik het u niet te vertellen”, sprak Poncke en ging verder met de viering. De derde zondag weer dezelfde vraag. Een slimmerik riep: “Sommigen weten het , anderen niet”. “Laten dan zij die weten het vertellen aan zij die niet weten”, sprak Poncke plechtig en daalde af.

Een prachtige geschiedenis met een diepe les! Echte wijsheid is niet over te brengen, een vinger die wijst naar de maan heeft alleen succes als men zelf naar de maan kijkt en niet naar de vinger. Een preek is goed als vingerwijzing naar de goddelijke wijsheid, maar ís niet die wijsheid. Een goede preek maakt zich niet breed, maar verdwijnt als het ware, zodat de gelovige zicht krijgt op het bijbelverhaal als de altijd verfrissende bron van de wijsheid, als Woord van God.  Als de gelovigen er echter van overtuigd zijn dat ze de wijsheid al bezitten, is er weinig kans op dat ze verder zoeken. En de derde keer is misschien wel het meest veelzeggend: in plaats van zich afhankelijk te stellen van een alwetende voorganger kunnen gelovige bronnen van wijsheid bij elkaar ontdekken. Erkennen dat er wijsheid onder je medemensen is en dat er dorst naar die wijsheid bestaat, creëert gemeenschap en verbondenheid.

Ik weet niet meer zeker hoeveel, maar de wijsheid van pastoor Poncke heeft er zeker toe bijgedragen dat ik theologie ben gaan doen, nog steeds de boeiendste studie die ik ken. En wat ontdekte ik tijdens mijn studie? De islamitische schelm Hodja vertoont wel een opvallende gelijkenis met mijn Vlaamse pastoor! Tal van verhalen en grappen kwamen uit die Oosterse schat aan verhalen. Zo komt een parochiaan aan de pastorie die te horen krijgt dat de pastoor niet thuis is. Hij hoort echter de ezel balken en zegt: “de pastoor is wel, thuis, ik hoor de ezel balken”. Waarop pastoor Poncke verontwaardigd naar de deur komt en zegt: “waarom geloof je wel een ezel, en niet een goeie paap zoals ik?”

Die Vlaamse pastoor blijft mij lief. Dat diens wijsheid uit Oosterse dreven naar Vlaanderen is overgewaaid, ach, is dat niet ook weer  een wonder?

Marcel Poorthuis
Woord & Dienst, maart 2010