Oosterhuis en Van Kilsdonk

Tweeluik over biografieën Oosterhuis en Van Kilsdonk

De paus van Amsterdam (Huub Oosterhuis) en de pastor van Amsterdam (pater Jan van Kilsdonk), twee eretitels voor twee grootheden uit de rk kerk. Beiden ontsnapten aan het kerkelijke binnenwereldje en werden, zo niet BN’ers, dan toch minstens BA’er (bekende Amsterdammers). Van Kilsdonk overleed in 2008, Oosterhuis wordt op 1 november van dit jaar 80. Van beiden verscheen in 2013 een biografie. Marcel Poorthuis schreef naar aanleiding daarvan twee overwegingen. Een tweeluik.

Ego Oosterhuis verdwijnt in zijn liederen

Daar is-ie dan, de biografie van Huub Oosterhuis, dichter, organisator, profeet van ‘deze wereld omgekeerd’, bejubeld en verguisd, ex-jezuïet, maar nog steeds priester volgens hemzelf. Zie ook zijn handtekening waarin de ‘t’ een subtiel kruisje vormt. Veel was al bekend, maar nu staat het in een doorlopende levensschets. Zijn jeugd is gestempeld door de oorlog, naar eigen zeggen. Hij zag de joden weggevoerd worden. Toch zou het pas na 1980 zijn dat zijn eigen theologie het jodendom herontdekte. De stroom poëzie stamt al uit de vijftiger jaren en droeg aanvankelijk ook kenmerken van die beweging van Vijftigers. Het initiatief van Poëzie Hardop, waarmee gedichten door acteurs de scholen in werden gebracht, was een kolossale onderneming. Ondenkbaar evenwel zonder Oosterhuis’ eigen verworteling in de beweging van de vijftiger jaren. De biografie legt er minder de nadruk op, maar van meet af aan zat Oosterhuis poëtisch op twee sporen: de experimentele poëzie van een Lucebert én de liturgische poëzie, met geestverwanten Guillaume van der Graft, Ad den Besten en Gabriël Smit (Barnard). Het wonderlijke is dat Oosterhuis steeds meer dichter van de kerkgemeenschap is geworden. Zijn eigen individueel getoonzette poëzie komt mij altijd wat verward over, om niet te zeggen tenenkrommend. In zekere zin had Komrij dus gelijk toen hij Oosterhuis als dichter van de kerk neerzette. Hij bedoelde dat evenwel als verguizing , quod non.

Beuk waaronder niets groeit
Wat bij Oosterhuis het meest opvalt is de combinatie van dichterschap en organisatietalent. Hij heeft ietsdraufgängerigs, dat kan resulteren in nieuwe projecten en visionaire plannen die nog gerealiseerd worden ook. Hij schroomt niet ‘de groten der aarde’ voor zijn karretje te spannen en waarom ook niet? Beter dat ze een karretje trekken dan hun tijd en geld in ledigheid doorbrengen. Keerzijde van die inzet van Oosterhuis is wel, dat geen talent in zijn omgeving kan gedijen. Hij is als een beuk waaronder niets groeit. Een mooie anekdote die wel in het boek had gemogen kan dit illustreren. Het socialistische Tijd en Taak was gefuseerd met Oosterhuis’ Werkschrift voor Leerhuis en Liturgie. Bij een aarzelende gezamenlijke redactievergadering was ook Theo Salemink van Tijd en Taak. Hij vroeg aan Huub  waar zijn kopij was gebleven, spoorloos verdwenen zo leek het. Anja Meulenbelt protesteerde: “Zo mag je niet tegen Huub praten.” Verbaasd liet Theo het maar even begaan. Enkele weken later kreeg hij Roodkoper, het nieuwe blad, in de bus. Geïnteresseerd keek hij naar het colofon: “Hé, mijn naam verdwenen!”  De paus van Amsterdam strikes again. Tijd en Taak de grote verliezer.

Wat is hier aan de hand? Oosterhuis dichterlijke habitus heeft een symbiose aangegaan met een marxistische visie op bijbel en maatschappij.  Een dichter is een orakel, deelt mee uit stemmen van overzij, flarden uit de voortijd. Daar past geen democratisch debat. Maar een marxist van de oude stempel kent al evenmin uitdrukkingen als: “Bij nader inzien”. “Ik moet daar nog eens over nadenken”. “Wat vind jij ervan?” Deze cocktail van bevlogenheid en immuniteit voor kritiek is riskant. Theologisch leidt dat tot onzinnige boutades over de consecratie die volgens Oosterhuis een soort hocus-pocus zou zijn. Waarom niet inzien dat Christus in het brood dat gebroken wordt en de wijn die vergoten wordt zijn eigen gebroken leven aan ons schenkt? En waarom mag de kerk dat geheim niet beschermen “tot zijn gedachtenis”?

Offer
Ook het woord ‘offer’ werkt als een rode lap op een stier die Oosterhuis heet. Ten onrechte: de doorgeschoten hang naar autonomie en zelfbeschikking die tot een neoliberale dictatuur leidt, wordt alleen maar doorbroken door de bereidheid tot het offer. Mijn dood is niet zo erg als moord: een moeilijk te leven waarheid, maar wel een waarheid. Theologie noopt tot bezinning en tot  meerdere perspectieven: niet de sterkste eigenschappen van Oosterhuis. Maar dat geeft niet. Laten we hem als dichter en draufgänger in hoge mate eren. Huub heeft het werk van vele liturgische commissies gedaan, gratis nog wel en zó dat sommige liederen klinken alsof ze al eeuwen gezongen worden. Ja, alsof er geen individuele dichter aan heeft gewerkt, maar de stem van het volk zelf. Dat is een grandioze prestatie, waarvoor een dank je op zijn plaats is. Oosterhuis is uniek: van zo iemand is er maar één. Gelukkig maar.

Marc van Dijk, De paus van Amsterdam. Biografie van Huub Oosterhuis, Atlas Contact, 432 blz., € 24,50.

 

Ego Van Kilsdonk lost op in pastorale roeping

De memoires van de legendarische pater van Kilsdonk verdienen aandacht. Niet alleen omdat deze man duizenden jonge mensen met zijn pastoraat heeft bereikt, maar ook omdat zijn gestalte iconisch is geworden. Het leek er zelfs een beetje op dat hij enige jaren geleden bij leven al werd heilig verklaard. Reden om nog eens terug te blikken. Iemand die van Kilsdonk ook maar enigszins heeft gekend zal weten dat de pater venijnig uit de hoek kon komen. Ikzelf zat eens in de trein tegenover hem – het was na de pakweg zevende Acht Mei Manifestatie en ik vertelde dat ik doceerde aan de Faculteit Katholieke theologie. Kennelijk vond van Kilsdonk dat heel de faculteit en masse aanwezig had moeten zijn bij de Acht Mei-dag, want hij begon sarcastisch: “Ach ja, de faculteit, niet zeer begaafde lieden, geen grote geesten.”

Begaafd
In zijn memoires komt dat woord ‘begaafd’ of ‘niet begaafd’ regelmatig terug. Het is voor hem kennelijk een belangrijke categorie. Vaak zijn het ook de conservatieven die als ‘niet begaafd’ worden bestempeld.  Het valt me sowieso op dat Van Kilsdonk vrijwel altijd een beoordeling van mensen geeft: te beginnen met zijn eigen ouders. Ikzelf zou dat eerlijk gezegd moeilijk vinden. Is het zijn kolossale pastorale mensenkennis? Of gaat het om een wellicht aan de jezuïtische training ontleende strategie om de overhand te houden? Deemoed en superioriteitsgevoel liggen hier dicht bij elkaar. Feit is dat ook bekende figuren een veeg uit de pan krijgen: Huub Oosterhuis natuurlijk, maar ook Antoine Bodar.  Ik ga niet vertellen wat Van Kilsdonk over hen zegt, maar het is behoorlijk ingrijpend, scherp gezien en wellicht nog waar ook. In de kring rond Oosterhuis werd me al toegefluisterd dat de pater wellicht al dementerende was toen hij dit liet opschrijven; niets is minder waar. Of je zo’n waarheid op deze manier – postuum – moet ventileren is natuurlijk de vraag. De wijze waarop Oosterhuis overigens terugslaat in zijn biografie (zie mijn hierboven) lijkt me toch wel enigszins uit ressentiment geboren.

Ook jonge medepriesters die een conservatieve stijl hanteren krijgen er genadeloos van langs: “niet begaafd”. Ook hier raakt de pater een teer punt: immers, de huidige aankomende priesters zijn geheel los geraakt van de academische wereld, hetgeen hun intellectuele vorming niet ten goede zal komen. Toch blijft de lezer met de vraag zitten waarom zovelen, tot zelfs NSB’ers toe, op mildheid mogen rekenen, behalve uitgerekend zijn jonge confraters.

Troost van het geloof
Welke gestalte rijst op uit dit boek? Feitelijk die van een priester die zijn roeping door en door ernstig neemt. Van Kilsdonk weet dat hij het niet persoonlijk is die troost biedt, maar dat hij de troost van het geloof aanreikt; tegelijkertijd is hij zich zeer bewust van zijn priesterlijke taak. De gereserveerdheid die daarbij hoort, het niet tutoyeren of aanraken van mensen, de legendarische brieven in verheven stijl, waarin telkens eerbied doorklinkt, het is alles in dienst van het evangelie gegrondvest, opbloeiend in woord en ritueel, in liturgie en heilig gebaar. Dat de man zelf een stevige theologische scholing bezat en graag het gemis daaraan bij anderen aanwees, vooral in de hiërarchie, het kan alleen naïeve vereerders van van Kilsdonk zijn ontgaan. Het laat onverlet dat velen zich veilig voelden bij hem, omdat hij – hoe paradoxaal –  ze niet veroordeelde en ze respecteerde. Was hij progressief? Ik waag het te betwijfelen: hij aarzelt en spreekt zich uiteindelijk niet uit als hem gevraagd wordt of een stel van gelijk geslacht een kind zou mogen adopteren. Zijn uitgangspunt is: hoe kan ik deze mensen respect betuigen en – als het kind er is – hun onbaatzuchtige liefde alle eer geven die ze verdienen?

Het boek wisselt wonderlijk mooie passages af met grimmige uiteenzettingen met hooggeplaatste katholieken, tot het Vaticaan en de generaal der jezuïeten toe. Hoezeer een mens daardoor gekwetst kan worden, het laat zich haast niet na voltrekken. Het heeft Van Kilsdonk er niet van weerhouden heel zijn leven in dienst van de kerk en van de medemens te stellen.

Alex Verburg, Pater Van Kilsdonk, raadsman in delicate zaken, Atlas Contact, 224 blz., € 19,95.