Onvermoede schatten uit de bibliotheek van PaRDeS 3

Monatschrift für Geschichte und Wissenschaft des Judentums

In de bibliotheek van Pardes is een serie sfeervolle oude bandjes te zien met gotisch opschrift, bij elkaar zo’n twee meter op de bovenste plank. Het betreft het beroemde ‘Monatschrift für Geschichte und Wissenschaft des Judentums’.
Het eerste deel stamt uit 1852. Wie zo’n deeltje opent treedt binnen in een andere wereld: hier is de geleerdheid van het Duitse jodendom in de 19e en 20e eeuw samengebald. Grote gestalten als de historicus Heinz Grätz en de kolossaal geleerde Louis Ginzberg doemen op voor het geestesoog. Natuurlijk ontdekken we nu merkwaardige eenzijdigheden die vooral te maken hebben met de positie van het Duitse jodendom in de 19e eeuw. Men wilde vooral goede staatsburgers zijn en benadrukte het redelijke karakter van het jodendom. Grätz had dus weinig oog voor de betekenis van de joodse mystiek, al wist hij er veel van. Nog minder kon hij de gnosis op zijn betekenis schatten, aangezien de beroemde vondst in het Egyptische woestijnzand van Nag Hammadi met allerlei gnostische geschriften pas in 1945 plaats vond. Hij stond kritisch tegenover het christendom, vooral omdat hij daarin Reform-tendensen meende waar te nemen. Het jodendom moderniseren door geboden op te heffen leek hem heilloos. De zaak ligt echter ingewikkelder: Abraham Geiger, geleerde uit de Reformbeweging, was zelf behoorlijk kritisch jegens het christendom. Zo betoogde hij dat de Farizeeërs niet de starre wetshandhavers waren, waarvoor het christendom ze hield, maar juist dynamische vernieuwers!

Louis Ginzberg schreef in 1899 en 1900 zijn eerste studies over de joodse midrasj bij de kerkvaders. Ook hier een eenzijdigheid: hij spreekt over verloren gegane midrasj (joodse bijbeluitleg) die bij christelijke auteurs als Hieronymus en Origenes terug te vinden zou zijn. Maar dat ook omgekeerd rabbijnen door kerkvaders beïnvloed kunnen zijn komt niet bij hem op. Veel later zou Ginzberg zijn ‘Legends of the Jews’ publiceren, waarin hij min of meer alle midrasj-teksten citeert met daarbij kerkvaders in Grieks, Latijn en Syrisch, Samaritaanse bronnen, Arabische, Armeense auteurs en wat al niet. Het kolossale werk is zevendelig, maar twee delen bestaan alleen uit noten! De talenkennis van Ginzberg en al die andere joodse geleerden uit het Monatschrift is formidabel. Curieus is ook een artikel van Perles over ‘Duizend-en-één-nacht’. Wie die boeiende verzameling verhalen heeft gelezen weet dat lang niet alle verhalen van Arabische of islamitische herkomst zijn. Inderdaad laat Perles zien dat heel wat verhalen regelrecht uit het jodendom stammen. Hij gaat nog niet zover als de Nederlandse arabist De Goeje, die in Sheherezade de oergestalte van de bijbelse Esther meende te ontwaren. Niet eens zo’n gek idee: beide vrouwen trotseren door hun charme de dreiging van de dood en weten de koning in te palmen en zo verlossing te bewerken. Maar de duizend jaar die beide verhalen scheidt maken Sheherezade als bron van Esther wel heel onwaarschijnlijk!

Het Monatschrift, door Zacharias Frankel opgericht, bewoog zich tussen Reform en orthodoxie en stond open voor wetenschappelijke discussies over de bijbel, jodendom én christendom, zonder daarbij de hyperkritische eenzijdigheden van de 19e eeuw over te nemen. Het tijdschrift is een monument van het intellectuele joodse leven in Duitsland: ik zou het naar een bekende uitdrukking ‘een kathedraal in de tijd’ willen noemen. Het feit dat het laatste tijdschrift het jaartal 1939 draagt is een stille getuige van het einde van deze schitterende cultuur, althans in Duitsland.

 

Marcel Poorthuis
Voorzitter Pardes
Klik hier voor meer informatie