Bisdomblad – Seksualiteit en de onthouding als wegen naar God

Het was een wonderlijke speling van het lot: rector Hendriks van het grootseminarie in Vogelenzang stelde mij een boekje ter hand over het celibaat, uitgerekend op een studiedag over huwelijk en gezin. Daarmee is meteen de basisvraag aan de orde: kan het katholicisme een positieve spirituele visie op het huwelijk combineren met de waarde van het celibaat of blijft het altijd wat tobben met seksualiteit en erotiek?

De studie Het celibaat van de priester, geschiedenis, theologie en beleving door Jan Hendriks (Tiltenberg studies n.2, 2008) gaat daar wel niet precies over, maar bevat toch veel boeiends dienaangaande. “Zowel roeping tot het huwelijk als celibaat is een gave Gods, zodat concurrentie tussen die twee welke het hoogste is eigenlijk weinig zin heeft”. Een sublieme observatie! Het betekent dat een celibatair feitelijk alleen maar goed zijn toewijding aan God kan beleven, als hij tevens het huwelijk (zij het theoretisch) kan beamen. Het celibaat is bovendien een positieve spirituele roeping, niet louter een negatief zich-onthouden-van. Allerlei gemankeerde en bekrompen opvattingen over seksualiteit vormen dus bepaald geen goede basis voor het celibaat, integendeel. Jovinianus (4e eeuw) zei als dat God zowel door vasten als door eten en drinken geëerd kan worden. Daarmee stelde hij – op dezelfde wijze als Hendriks doet- huwelijk en celibaat beide als door God gewild voor.

Jovinianus’ tegenstander was niemand minder dan de heilige Hieronymus. Ik heb de indruk dat Hendriks in zijn bespreking van de geschiedenis van het celibaat veronderstelt dat alle kerkvaders wel min of meer hetzelfde dachten, puttend uit “de katholieke leer”. Hieronymus moeten we echter veeleer als religieus extreem beschouwen: hij wijst zwangerschap en kinderen krijgen van de hand als zijnde lastig en zelfs levensbedreigend en hij beveelt het celibaat aan als de enige weg voor geestelijke studie. Hiermee verander celibaat van een offer in een subtiel egoïsme!

Er zijn heel wat ‘ketterse’ vroegchristelijke teksten die eenzelfde extremisme als dat van Hieronymus aan de dag leggen, zodat we het celibaat veel breder kunnen situeren. Dan krijgen we nog meer waardering voor de strijd die de katholieke kerk heeft moeten voeren om zowel huwelijk als celibaat als goddelijke instelling veilig te stellen!

Rein
Hendriks wijst er ook op dat de Oosterse kerken priesterschap zonde celibaat kennen en dat ook dominees die katholiek worden in bepaalde gevallen het priesterschap kunnen ontvangen. Niettemin is het celibaat volgens Hendriks geen late instelling, maar als in de eerste eeuwen van kracht. De wetenschappelijk distantie maakt hier plaats voor apologetische gedrevenheid, maar feitelijk denk ik dat Hendriks gelijk heeft. Wel is er een kwestie die ik graag eens zou willen belichten. Hendriks laat, zoals eerder Crouzel en Gryson dat deden, heel wat teksten over het celibaat in de vroege kerk de revue passeren. Hij stuit daarbij ook op teksten (p. 56) die stellen dat een preister zich moet onthouden van seksualiteit “in de tijd van hun dienst aan het altaar” Zie : Tweede Trullaanse concilie (691 C.E.), canon 13; ik vermoed dat ook de eerste canon over het celibaat (Elvira 306 C.E.) zo kan worden begrepen. Het zou betekenen dat  er voorafgaand en tijdens een periode van cultische dienstdoen seksuele onthouding is geboden maar niet het hele jaar door. Dit was ook de praktijk in het Jodendom, vergelijk Lev 8:33, Ez 44:2 en ook Zacharias, de vader van Johannes de Doper. Deze cultische reinheid wordt niet graag benadrukt door theologen! Wellicht vanwege zoiets als een “terugval” in Oudtestamentische praktijken van rein en onrein. Toch zou het me niet verwonderen als deze cultische reinheid de sleutel vormt. Het bekentent dat de moderne, meer sociale fundering van het celibaat als volledige beschikbaarheid voor God en mensen, eigenlijk secundair is: immers een preister in de vroege kerk die na zijn wijding in tijdelijke dan wel permanente onthouding leeft, blijft wel getrouwd! Seksuele onthouding vóór het gebed, de openbaring van de Torah aan Mozes en aan het volk “in onthouding” (Ex. 19:15), ja zelfs de Ramadan die de openbaring van de Koran viert, worden begrijpelijk van uit deze cultische achtergrond, die – ik zeg het nog maar eens  – niet te maken heeft met onderwaardering van de seksualiteit. Ik vind het intussen fascinerend dat Hendriks niet terugdeinst om deze concilieteksten aan de orde te stellen, die bovendien een verklaring voor het verschil tussen de Oosterse kerken en de Rooms-katholieke kerk kunnen bieden: in de laatste wordt het priesterschap een dagelijkse verplichting, zodat tijdelijk onthouding onmogelijk wordt. Dat Hendriks er geen debat over de mogelijkheid van tijdelijk onthouding voor getrouwde priesters aan verbindt, snap ik wel: dat is een wel heel revolutionaire gedachte. Intussen in die gedachte wel in de kerk zelf bewaard gebleven! Dit kleine boekje van een pastoraal bewogen kerkjurist bevat veel stof tot overpeinzen…

Marcel Poorthuis
Bisdomblad, december 2009