Bisdomblad – Medische ethiek en katholicisme

“Dag dokter!” Nee, niet bij de huisarts, maar op een verjaardag waar ik elk jaar weer een kinderarts ontmoet. Een bijzonder aardige vent, van huis uit katholiek ja, maar dat is lang geleden, maar zoals hij over zijn ‘kinderen’ vertelt, die warmte, die betrokkenheid, je knapt er zelf van op, ook al zijn de verhalen soms tragisch. Natuurlijk wil ik weten van hij van die ‘kwestie’ in Groningen vindt. Tragischer kon het al haast niet, een kindje waarvan de huid zich niet wil vormen en die telkens onder afschuwelijke pijnen van verband gewisseld wordt. Hij knikt: “ik weet wat je bedoelt. Er was geen enkel uitzicht op een menswaardig leven”. “Toch is dit een heel moeilijk geval”, houd ik aan, “het gaat hier natuurlijk niet om iemand die zelf kan aangeven dat het einde mag komen. Het gaat om een zogeheten ‘wilsonbekwame”. De dokter beaamt: “Er zijn enkele gevallen per jaar in Nederland. Wordt met de grootste zorg begeleid.” Ik kan het niet nalaten om het te vragen: “Heb je die NOVA-uitzending met de bisschop van Groningen gezien? Wat vond je ervan?” Hij knippert even met zijn ogen. Toch waardeert hij het doorvragen naar een ethisch standpunt. “Die uitzending was dramatisch slecht. Het ging om de kwalificatie ‘nazistisch’ die in Rome was gebruikt in verband met deze kwestie. Wat dat alleen al voor de ouders betekent die zelf door een hel zijn gegaan. Daar kun je natuurlijk geen gesprek over voeren”. Hij was goed geïnformeerd. Inderdaad had iemand in Rome de Nederlandse praktijk, liever gezegd, bovenstaande kwestie, vergeleken met de nazi’s; had gezegd dat Nederland nog verder ging omdat het een ‘wilsonbekwame’ betrof. “Je begrijpt natuurlijk wel dat dat interview veel langer is geweest”, probeerde ik nog, “het gaf waarschijnlijk helemaal geen beeld van wat bisschop Eijk dacht. Wist je trouwens dat hij zelf arts is?” “Best mogelijk”, reageerde hij op het eerste deel, “maar je bent als woordvoerder ook verantwoordelijk voor je p.r.” Ik besluit het over een andere boeg te gooien: “Wat vind je er eigenlijk van dat een bisschop zich er mee bemoeit?” “Moet hij vooral doen!”, luidde het verrassende antwoord, “maar dan wel in gesprek met de verantwoordelijke mensen en niet via Rome.”

Diezelfde week spreek ik nog even met mijn zwager, gynaecoloog in het Noorden des lands. Ook hij vindt de ‘kwestie Groningen’ onbeholpen behandeld door de kerk. “Denk niet dat we vroeger met meer zorg te werk gingen; deze kinderen hadden toen geen schijn van kans om te leven”. Dan mijmert hij nog even: “Toch is het wel zo dat hier een heel belangrijke grens wordt overschreden”, mijmert hij. Maar verder komt ook hij niet.

Ik denk achteraf altijd met warmte terug aan dergelijke gesprekken. Nog meer ben ik geïntrigeerd door het volstrekt mislukken van de communicatie over zaken die zowel dokters als de kerk ter harte gaan en blijft de vraag me bezighouden op welke wijze vanuit een christelijke visie kan worden meegedacht over een ethisch  perspectief. Het lijkt me minder een inhoudelijk dan wel een communicatieprobleem. De moderne mens wil – terecht denk ik – dat degenen die zich over ethische zaken uitspreken er daadwerkelijk bij betrokken zijn. Dat betekent dat een arts uit de praktijk al heel wat beter overkomt, ook al zou hij hetzelfde zeggen. We kunnen dit betreuren, maar dit lijkt me eenvoudig een wet van de communicatie. Dat is één.

Wat me vervolgens opvalt is dat ethiek ook door artsen volstrekt niet als een discipline met een eigen deskundigheid wordt gezien. Soms is er in een artsenteam dat over ethische kwesties vergadert helemaal geen geestelijk verzorger aanwezig. Ethische deskundigheid wordt door hen te gauw verward met bevoogding: zeggen dat iets niet mag, terwijl ethische deskundigheid natuurlijk veel meer de implicaties van bepaalde beslissingen aan het licht wil brengen. Zo mag mijn kinderarts soms een ethische duit in het zakje doen door te wijzen op andere culturen die zaken zogenaamd veel eenvoudige oplossen”. “Je begint toch niet over die ijsschots”, viel ik hem in de rede. “Jawel, hoezo?”  Het is het oude verhaal dat eskimo’s hoogbejaarden op een schots zouden zetten die dan naar zee afdrijft. “Omdat dat hele verhaal van die ijsschots niet waar is”, antwoord ik, “en bovendien, het beroep op een andere cultuur kan nooit als zodanig een argument voor een ethische beslissing zijn, toont alleen maar aan dat we weinig vertrouwen hebben in onze eigen cultuur”. Ik geef hem een joviale klap op zijn schouder en zeg: “jouw moeder zet je toch ook niet op een ijsschots?”

Artsen zijn niet de eerst aangewezenen voor ethische bezinning, al zal die nooit over hun hoofden heen, maar telkens in gesprek met hen ontwikkeld moeten worden. Dat is twee.

Geestelijke verzorgers zullen op het niveau van specialisten moeten kunnen meepraten over ethische kwesties in ziekenhuizen. Dat vraagt expertise van hen en meer erkenning van hun gezag in het ziekenhuis. Dat is drie. Hebben we toch drie regels ontwikkeld voor een toekomstig spreken over de ethiek!

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, mei 2005