Bisdomblad – Johannes Paulus 2 en de filosoof Karol Woityla

De religieuze erfenis van Johannes Paulus 2 is om meerdere reden van belang. Hij heeft baanbrekend werk verricht in de verhouding tussen christendom en jodendom – wie herinnert zich niet zijn bezoek aan de synagoge van Rome en, niet minder indrukwekkend, zijn gebed aan de Klaagmuur in Jeruzalem. Ook moeten er beelden bestaan van het bezoek van deze paus aan de moskee in Damascus, het eerste bezoek van een paus aan een moskee ooit!

Een delicaat gebeuren, aangezien het hier om de beroemde Omayyadenmoskee gaat, een van de oudste moskeeën van de islam, maar gebouwd op de fundamenten van een al even kolossale kerk. Deze moskee bezit als belangrijkste relikwie het hoofd van Jachja al-nabi, niemand anders dan Johannes de Doper. Ook was hij de eerste paus die zich direct tot de jongeren richtte, een uitstekende gedachte, zo bleek wel. Al deze zaken verdienen nadere aandacht. Nu richt ik me op nog een ander facet van het denken van deze paus en daarvoor ga ik over op zijn naam als filosoof. Karol Woityla behoorde tot de stroming van de fenomenologie. Dit moeilijke woord: letterlijk “de leer van de verschijnselen”, staat voor de meest invloedrijke filosofie van de twintigste eeuw. Centraal daarin staat het streven om de kloof tussen natuurwetenschappen en geesteswetenschappen te overbruggen. Dat is nog steeds van groot belang. Door het grote prestige van de natuurwetenschappen denken mensen dat ook belangrijke levensvragen weldra zullen worden opgelost. De mens zelf als vraagstuk wordt wel door vele wetenschappen wordt bestudeerd, zowel door theologie als filosofie als gedragswetenschappen. Toch zouden alleen de natuurwetenschappen in staat zijn tot een objectieve waarneming, door zich op “feiten” te richten. Mis, zegt de fenomenologie, alle waarneming berust op ervaring van mensen, die van de natuurwetenschappen niet uitgezonderd. “Feiten” zijn altijd afhankelijk van het perspectief waarmee men kijkt. Daarmee is het perspectief van de levensbeschouwing niet minder ‘wetenschappelijk’ dan die van de natuurwetenschappen. De kwantitatieve waarneming van bijvoorbeeld de tijd, in minuten en seconden, onthult maar een klein aspect van onze ervaring van de tijd. Vergeten, ouder worden, ja zelfs vergeven en opnieuw beginnen zijn niet minder authentieke tijdservaringen dan wat het horloge aangeeft.

Mijn lichamelijk bestaan is dan ook niet iets dat de biologie als enige wetenschap correct kan waarnemen, integendeel. Door de biologie als enig objectieve perspectief  te beschouwen treedt een ernstige reductie van het menselijk bestaan op. Vraagstukken als menselijke vrijheid, individualisme en collectivisme, taal, handelen, geweten, ontsnappen goeddeels aan het biologische perspectief. Pogingen om een ethiek op de biologie te stoelen kunnen hoogstens enkele deelinzichten geven. Elke pretentie van méér, “omdat de mens ook maar een dier is”, is een reductie en leidt tot een gevaarlijke ondermijning van de ethiek als een specifiek menselijke zaak.

Wat wil ik nu met deze filosofische beschouwingen die misschien wel voor menig lezer reden zijn om snel af te haken? De betekenis van deze fenomenologie is enorm, in onze tijd meer dan ooit. Gisteren nog zag ik een programma over erfelijkheid en gendiagnostiek. Het leek er even op alsof deze deskundigen de toekomst van de mensheid konden bepalen, waarbij slechts technische problemen de weg blokkeerden voor een mooie toekomst. Het was een Belgische wetenschapper die evenwel herinnerde aan de mens, niet slechts als biologisch wezen, maar ook als cultureel en ethisch wezen. “Hoe komt het?”, vroeg hij zich af, “dat we deze discussie over verbetering van nageslacht in de zeventiger jaren niet hadden kunnen voeren? We zouden als racist of oorlogsmisdadiger zijn weggezet. Zijn we minder bekrompen geworden? Of ontgaat ons nu de ethische dimensie van de problemen?”

Een boeiende vraag! Het verheldert ook het katholieke streven om medische kwesties ook vanuit levensbeschouwelijk perspectief te beschouwen.  Hier is communicatie belangrijk: het katholieke perspectief moet niet louter als een schoolmeester verschijnen die dicteert wat mag en niet mag. Ook dat is een reductie van de levensbeschouwelijke visie op de mens! Die inzet hoort dieper en breder te zijn: een bezinning op het mens-zijn vanuit fenomenologisch perspectief. Want evenmin moeten wij belangrijke levensvragen overlaten aan de medische blik van de dokter. Menselijke waardigheid is immers een cultureel, religieus en filosofische zaak, waarbij we alle wetenschappen kunnen gebruiken zonder echter één enkele perspectief te verabsoluteren. Dat leert ons de fenomenologie. Daarmee is het christendom als gesprekspartner voor de medische wetenschappen weer helemaal in beeld. Misschien is het een idee om The acting person van Karol Woityla eens op internet op te zoeken!

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, november 2008