Bisdomblad – Het leerhuis, een violist en de zusters Augustinessen

Het was een geweldig idee van mijn vriend de violist Jouke van der Leest om een ‘leerhuis’ rond de Belijdenissen van Augustinus te organiseren. Ik zou als inleider optreden, Jouke nam bereidwillig de organisatie op zich. Zijn enthousiasme, bekend van zijn vele succesvolle muziekensembles, zou er ook nu borg staan voor voldoende deelnemers. Of dat lukt, in deze tijd?

Betere vraag: hoe zorg je ervoor dat er een leuke gemengde groep ontstaat die ook echt wil meedenken met deze grote zondaar en kerkleraar Augustinus en de eigen visie ernaast durft te leggen? Voor de muzikanten was ik niet bang: die zouden vanuit hun kunstenaarsziel voldoende verwantschap met Augustinus’ omzwervingen in het Platonisme en diens obsessie met het kwaad hebben en de ingewikkelde relatie met zijn moeder wel van het vernis kunnen ontdoen. De Samen op Weggemeente zou ook wel zijn leergierige gelovigen afvaardigen, want het leren zit de reformatie, meer dan katholieken, in het bloed. Maar hoe krijg ik voldoende katholieken bij de club? Zelfs de naam Augustinus is niet voldoende om drempels weg te nemen. Toch heb ik niet veel zin om me een aantal avonden in het zweet te werken zonder daarbij ‘voor eigen parochie’ te kunnen spreken. Maar gelukkig, de zuster Augustinessen van de stad Gods wonen aan de rand van Hilversum. Jouke, gereformeerd en oecumenisch ingesteld, maar toch niet helemaal bekend met de zusters, belt de moeder overste die met charmante Franse tongval geestdriftig reageert: “maarr dat is uitstékend.  Hoeveel zusters wilt U? Dertig? Veertig?” Jouke zag zijn muzikanten al verdrinken in de grote deelname van de zusters en probeerde schuchter: “misschien een zestal?” ”Formidable!”, sprak de zuster en zo was ook die deelname geregeld. Verder hier en daar een dominee, een buitenkerkelijke, en gelukkig van mijn eigen parochie ook nog  enige deelname, onder meer mijn goede vriend en self-made theoloog Marinus Wilhelmus, die met zijn 85 jaar jong van geest is gebleven. Al met al zaten we met 25 deelnemers. De bijeenkomsten begonnen met het aansteken van een kaars, bede om de verlichting die we nodig hadden om Augustinus en onszelf beter te leren begrijpen. Dan gingen we op de kaart bezien welke delen van de toenmalige wereld in beeld kwamen. Muziek uit Afrika, van de zijderoute, uit Turkije, Iran en Irak, gaven ons een beeld van de onbekende wereld die we betraden.  En toch was ook veel bekend. Waar Augustinus vertelt over de perediefstal (of is het tegenwoordig: perendiefstal?) die hij als jongen had begaan, had ik mijn oudste zoon meegenomen. Hij legde uit: het ging niet om de peren, want de jonge Augustinus had geen honger. Het ging om het genot van saamhorigheid in het kwaad, een genot dat verslavend kan werken als een sekte. Als we het kwaad hier alleen maar als negatief zien zonder het genot te erkennen dat erbij hoort, missen we de kern van Augustinus’ eigen worsteling. “Het lijkt wel het probleem van reclassering”, mompelde een deelnemer. Inderdaad, zo modern is Augustinus.

Een musicus stelde dat Augustinus’ obsessie met het kwaad en zijn worsteling om ervan af te komen toch bleef steken in een dualisme: het kwaad werd buiten hemzelf geplaatst als een macht die hem in de greep hield. Daartegenover zag hij de kabbala als een weg om het kwaad in jezelf een eigen plaats te geven. Erkenning van de donkere kant in jezelf, niet door die te ontkennen en af te splitsen, maar door die te integreren in het eigen bestaan. Artistieke geesten weten waarover het gaat. Begrijpelijk dat deze musicus, bovendien zelf van joodse huize, zijn wantrouwen had tegen het erfzonde-denken van Augustinus. Andere musici bewonderden Augustinus’ visie op de esthetica als goddelijk domein en zijn denken over de tijd.

De zusters vertelden tot slot van de serie avonden over de praktische kant van het volgen van Augustinus: inzet voor opgroeiende jeugd in Meisjesstad.

Naderhand stuurde een van de deelnerms een vrouw die tot het katholicismse was overgegaan een boek op waarin zij over haar eigen ontwikkeling had geschreven. Maar over deze moderne Belijdenissen’een volgende keer.

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, mei 2006