Bisdomblad – Een oude legende over raven en gelovigen: de Plechelmus in Oldenzaal

Het is een oude legende. De Towerbridge van Londen herbergt al eeuwen raven en, zo wordt verteld, als die raven zouden wegtrekken, zou daarmee het einde van het Britse koninkrijk worden ingeluid. Een delicate kwestie, zo’n machtig land in bezit van schepen en vliegtuigen en wat al niet, en toch afhankelijk van vogels die zomaar weg kunnen vliegen. Vogels die, als symbool van trouw en toewijding, op hun post blijven.

Ik moest eraan denken toen een collega-theoloog me vertelde over de lotgevallen van de Plechelmus in Oldenzaal. Niet zomaar een kerk, nee, de imposante toren staat rotsvast en breeduit in de grond gevestigd, met een Romaanse robuustheid die zeldzaam is in Nederland. De Bentheimer zandsteen geeft de kerk het aanzien van een burcht, een vaste burcht van geloof, zou je kunnen zeggen. De kerk is in de twaalfde eeuw gebouwd, maar zelfs toen bestond er op die plek al een eerdere Plechelmuskerk. We staan dus op eerbiedwaardige grond.

De spits is korter dan je van zo’n zware toren zou verwachten, maar het ‘loden bönneke’, het kamertje bovenin biedt een indrukwekkend uitzicht over heel het Twentse land. Dat er waaghalzen zijn geweest die salto’s gingen maken aan de spijlen van datzelfde kamertje wist mijn vader me te vertellen. Maar hij is dan ook in de schaduw van de toren geboren. Mijn collega-theoloog Rikhof wiens wieg niet ver van die van mijn familie heeft gestaan, vertelde me dat er plannen zijn om de Plechelmus tot cultureel centrum te maken. Natuurlijk, ook Twente ontkomt niet aan de ontkerkelijking. Ik denk zelf dat aan die ontkerkelijking niet zozeer onverschilligheid ten grondslag ligt als wel een zekere zelfoverschatting. Hoe dat zo? Zoals menigeen in Nederland denken ook Oldenzalers dat je heel goed in je eentje kunt geloven. De moderne mens zoekt zelf zijn weg op de markt van levensbeschouwingen en spiritualiteiten. Maar dat valt tegen. Het gros van de mensen komt door de drukte van het leven toch niet echt aan verdieping toe. Ook neemt de bereidheid om aan goede doelen te geven af als mensen de kerk de rug toe keren, alweer niet omdat de mensen in de kerk beter zouden zijn, maar simpelweg omdat mensen door de preek en de parochiële activiteiten met hun neus op de noden van de medemens worden gedrukt. En dan is er de dankbaarheid om het leven dat je wordt geschonken, om het nieuwe leven dat jou wordt toevertrouwd: alweer niet exclusief voor mensen in de kerk, maar wel is de kerkgemeenschap de plek waar die dankbaarheid jegens God levend wordt gehouden en een uitdrukking krijgt. Vanuit die dankbaarheid komt ook de medemens gemakkelijker in beeld en wordt de verharding van de samenleving tegengegaan. De broodnodige contacten met moslims? Ook dat gaat via de kerk. Het lijkt weinig en nauwelijks merkbaar, het gaat echter om niets meer of minder dan om de menselijkheid van de samenleving. De Plechelmus kent een eerbiedwaardige historie en duizenden mensen hebben er hun lief en leed aan God voorgelegd. Ik denk alleen al aan mijn oma die dagelijks naar de basiliek schuifelde om, zoals ze zei, voor alle kleinkinderen te bidden. Dat is het ook wat die Plechelmus zo indrukwekkend maakt, niet de culturele betekenis al is die aanzienlijk. De Plechelmus is geen cultureel centrum en moet dat ook niet worden. Cabaretier Herman Finkers is het daar roerend mee eens. Maar hoe krijg je er weer leven in? Het is een vraag aan oud en jong, want bij alle leeftijdsgroepen neemt het kerkbezoek af. Maar ik richt me nu alleen tot de jongeren. Ik zou voorstellen om Oldenzaalse jongeren tot WACHTERS VAN DE PLECHELMUS te maken. Zij verplichten zich en elkaar om, nog afgezien van Kerstmis, Pasen en Pinksteren, te zorgen dat altijd tien van hen bij de zondagsviering ‘de wacht’ houden. Die verantwoordelijkheid is zo groot dat de viering geen doorgang kan vinden als er minder dan tien zijn. De wachters zijn hiervoor zelf verantwoordelijk. Ik weet wel, zaterdagavond is uitgaansavond, maar al komen de jongeren direct uit de disco, met minder dan tien gaat het niet. Misschien is ook hellebaard en uniform hierbij dienstig, zoals de ordebewakers vroeger wel droegen, dat alles is nader uit te werken en in moderne vorm te gieten. Wat ook verrassend is; als je lid wil worden van de wachters doneer je één procent van wat je hebt te besteden voor een jaarlijkse bijdrage aan de kerk. Ook dat verhoogt gek genoeg de aantrekkelijkheid! De wachters hebben een eigen bord in de kerk met namen en een wapen. Dan is er de grote groep mensen die zich eigenlijk best bij het gebouw verbonden voelen, maar zich niet tot de gelovigen rekenen. Die groep is veel groter dan gedacht wordt, maar wordt zelden aangesproken. De wachters gaan huis aan huis deze groep benaderen voor een jaarlijkse bijdrage. Ook steunen de wachters af en toe daadwerkelijk een diaconaal project in de eigen stad: ziekenbezoek, asielzoekers, enzovoort. De wachters van de Plechelmus moeten uit minstens honderd personen bestaan, zo niet tweehonderd.  Dat lijkt veel, maar als de uitdaging duidelijk is zal het geen probleem zijn. Zou het waar zijn dat Engeland in elkaar stort als de vogels de Tower verlaten? Zeker is het dat de Twentse samenleving niet meer diezelfde haven van menselijkheid en Godsvertrouwen is, als de gelovigen gevlogen zijn.

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, juli 2006