Bisdomblad – De koning en de nar

Belangstellenden vragen mij wel eens: hoe kun je nou kritisch theoloog zijn en tegelijkertijd aan een katholieke universiteit werken? Dan is toch de vrijheid van denken bij voorbaat aan banden gelegd? Goeie vraag en ik ga even zitten voor een antwoord. Twee antwoorden zijn bij voorbaat eenzijdig: het ene stelt dat theologie helemaal niets met kerk te maken mag hebben. Hoe populair deze mening ook is – en de opmars lijkt nog niet ten einde – , ze gaat eraan voorbij dat geloof in mensen gestalte krijgt en traditie en gemeenschap veronderstelt. Theologie staat in dienst van een geloofsgemeenschap en samenleving en, zich buigend over Schrift en traditie, ontleent ze mede haar inhoud aan geloofsgemeenschap (kerk) en samenleving. De kerk hoeft dan ook bepaald niet benauwend te zijn, maar omvat kosmische dimensies: zo wijd als de wereld en misschien zelfs tot in de ruimte. Ook gaat de kerk ons vooraf in de tijd: vanaf de tijd der apostelen en misschien zelfs vanaf de dagen der schepping.

Het tweede antwoord ving ik op in een gesprek over het belang van de vrijheid van de theologie: “waar is dat voor nodig? Een theoloog heeft zich te houden aan de leer van de kerk”! Het klinkt vroom, maar het is de dood in de pot. Het betekent het einde van de theologie als creatief denkproces dat het geloof wil verhelderen, broodnodig in deze tijd van techniek en debat waarin verantwoording van je overtuiging hoog staat aangeschreven.  Theologie verliest met dit soort ‘vroomheid’ haar academisch statuut en verwordt tot louter napraten van gezagsdragers. Een losse vergelijking uit de wereld van de sprookjes: een koning is verantwoordelijk voor het bestuur, maar loopt het gevaar alleen nog maar omringd te worden door ja-zeggers. Zo wordt zijn macht tot machteloosheid, omdat hij nooit meer de waarheid hoort. De koning heeft dan ook een nar nodig die hem onder allerlei grappen en grollen de waarheid zegt.. . Laten we voor de koning de bisschop lezen en voor de nar de theoloog! De kerk zelf is dus gebaat bij de vrijheid van de theologie, op straffe van verlies van een kritisch-loyaal tegenover.

Een mooi beeld, maar strookt het met wat de katholieke kerk zelf leert? En is dit wat met de nieuwe opleiding voor katholieke theologie wordt beoogd? Volgens velen dreigt hier juist de academische status van de theologie onder kerkelijke druk te bezwijken. Maar als we akkoord gaan met de bovenstaande gedachte dat theologie pas in vrijheid gedijt en tevens in dienst staat van kerk en samenleving, is dat nog maar helemaal de vraag.

Er zijn verschillende documenten die de status van de katholieke theologie-opleidingen beschrijven. Sapientia christiana is vrij duidelijk over zowel het belang van de kerkelijke leer als de vrijheid van de theoloog: bij het doceren dient de theoloog duidelijk onderscheid te maken wanneer hij de leer van de kerk weergeeft (gebaseerd op het Tweede Vaticaans concilie en latere documenten), en wanneer hij persoonlijke inzichten en resultaten van eigen onderzoek presenteert (artikel 70-71). Deze tekst zegt in elk geval twee zaken:

  • Er is verschil tussen de leer van de kerk en de persoonlijke inzichten van de theoloog.
  • De theoloog dient dat onderscheid duidelijk kenbaar te maken.

Niet onbelangrijk, want onze hierboven geciteerde gesprekspartner zag helemaal geen onderscheid en meende dat zelfs als er wel een persoonlijke mening van de theoloog is, die er toch niet toedoet.

Allerlei plannen voor een zogenoemde ‘eed van trouw’ (zie internet Ad tuendam fidem) dienen als het gaat om de theoloog, in het licht van deze tekst van Sapientia Christiana te worden bezien. De eed van trouw geldt ook voor priesters en hier en daar voor pastoraal werkers en beiden hebben weer andere verantwoordelijkheden. Maar zowel zij als de theoloog werken in loyaliteit. Deze loyaliteit is dus alleen mogelijk als tegelijkertijd de vrijheid van de theoloog en het belang van vrij onderzoek op academisch niveau wordt onderstreept. Sterker nog: de nieuwe theologische inzichten zijn zelf mede bepalend voor de kerkelijke leer die immers niet statisch is, maar zich ontwikkelt en daarbij niet zonder de sensus fidelium, het inzicht van de gelovigen kan. De eigen inzichten van de theoloog zijn dus essentieel voor het theologisch onderwijs! Een bevrijdende visie, lijkt me zo!

De eed van trouw (even afgezien van het bijbelse advies om in het geheel niet te zweren, wat voor een christen een reëel probleem kan vormen) kan dus nooit een aantasting zijn van de vrijheid van de theoloog. Vergelijkingen met beroepseden in andere beroepsgroepen dienen overigens voorzichtig te worden gehanteerd: de loyaliteit van een ambtenaar van het ministerie naar de minister is van een andere orde dan die van de theoloog naar de bisschop. Waar de minister voldoende heeft aan intern advies van de ambtenaar die er naar buiten toe het zwijgen toe mag doen, is de bisschop als het goed is juist gebaat met de stem van de theoloog in het openbaar debat.

Zo is de theologie als een schatkamer waarin oude en nieuwe schatten in overvloed te vinden zijn voor wie maar wil. Bisschoppen en theologen kunnen er met volle handen uit putten, niet alleen oude schatten alsof slechts het verleden waarde heeft, en ook niet alleen nieuwe, alsof alleen de actualiteit telt. Het zal nog spannend zijn om te zien wie het oude en wie het nieuwe eruit haalt, maar alleen samen komt de volle rijkdom van de kerkelijke schatkamer tot zijn recht.

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, september 2006