Bisdomblad – De dood als vijand en als metgezel

Toen kardinaal Simonis enige tijd geleden werd geïnterviewd kwam het gesprek begrijpelijkerwijs ook op ziekte en  gezondheid. Met een ontwapenende eerlijkheid zei de kardinaal: “de dood zou voor een christen niets vreeswekkends moeten hebben. Je keert terug naar de Schepper die je het leven heeft gegeven. Maar toch, ik hang met al mijn vezels aan het leven en wil nog lang niet dood!”  De kardinaal kwam er niet toe dieper in te gaan op deze ambivalente houding jegens de dood. Het interview was daarvoor ook niet de plaats. Intussen stemt het wel tot nadenken. Hoe staat de christen eigenlijk tegenover de dood? En waarom wordt er zo weinig over de dood gepraat, in kerk, preek of theologie? Als je kerkboeken van een eeuw geleden opslaat, zie je de dood veel prominenter aanwezig. Ook de talrijke bidprentjes die doorgaans in het kerkboek gestoken zijn, hebben niet de fleurige uitstraling van gedachtenisprentjes van vandaag. De gelovige wordt aangespoord om voor de zielenrust van de overledene te bidden, een enkel bijbelcitaat klinkt. Dat deze mens zijn zonden heeft begaan wordt kennelijk niet betwijfeld: gebed is nodig. Wel een verschil met de levensbeschrijvingen van tegenwoordig die tegelijk persoonlijker, maar ook verhullender zijn: het lijkt wel alsof tegenwoordig alleen nog heiligen en helden worden begraven.

Zou dat verschil ook te maken hebben met het feit dat de dood minder in ons leven een plaats heeft gekregen? Natuurlijk is er de gedachte dat de gelovige geen vrees meer voor de dood hoeft te hebben. Maar heeft hij de dood als vraag werkelijk overwonnen, omdat het eeuwig leven wenkt? De kardinaal getuigt van een ander besef: de liefde voor het leven strijdt met de vrees voor de dood. Iets van het besef dat de dood er eigenlijk niet zou moeten zijn, dat de liefdevolle band die ons aan onze dierbaren verbindt wreed wordt verbroken, klinkt mee. Het verhaal van paradijs en verbanning is óók het verhaal van ons mens-zijn: hoe een innig verbonden zijn met God en de schepping, met name de dieren, plaats maakt voor vervreemding, de mogelijkheid om de weg van het kwaad in te slaan en zelfs voor moord te kiezen. Natuurlijk is de mens pas werkelijk mens geworden door de verbanning uit het paradijs, uit een wel heel innige verbondenheid waarin hij nog één was met de dieren. Nu komen werk, landbouw en veeteelt, kinderen baren, ja zelfs kleding in het vizier, als tekenen van menselijke beschaving. Zo lijken de vervloekingen van het mensenbestaan, de straffen van God, tegelijkertijd de groei tot echt mens-zijn in te houden, inclusief de realiteit van de dood. Nu verschijnt ook de sterfelijkheid van de mens aan de horizon.

Als we ons buigen we ons over het christelijke denken over de dood, zoals de kerkvaders dat verwoorden, dan komen we tot een verbluffende ontdekking. De kerkvaders zien de sterfelijkheid niet direct als een straf van God of als een vloek, maar veeleer als een zegen! Hoe is dat te verklaren? De gedachte is tegelijkertijd diepzinnig en eenvoudig: met de hoogmoed om zelf als God te willen zijn vestigt de mens de realiteit van het kwaad. In plaats van de stromen in het paradijs zal de aardbodem bloed zien vloeien, vanaf de eerste broedermoord tot vandaag de dag. Hoe kan dit geweld nog gekeerd worden? De kerkvaders laten er geen twijfel over bestaan: als de mens eindeloos zou leven zou hij zijn leven niet veranderen. Dat kan altijd morgen nog, wordt dan de basis. De eindigheid van het leven, de wetenschap dat er niet altijd meer een morgen aanbreekt waarop het roer nog omgegooid kan worden, is als het ware de motor van werkelijke verandering, van bekering tot het goede.

De dood als goddelijke zegen, ter bestrijding van zoveel menselijk kwaad, een verrassende kijk op ons mensenbestaan. Terzijde merk ik op dat de bekende filosofe Simone de Beauvoir onbewust eenzelfde visie ontwikkelt in haar boek: Niemand is onsterfelijk. Ze beschrijft hoe iemand die werkelijk onsterfelijk is, alle zin in het leven verliest en geen aandrang voelt om nog iets goeds tot stand te brengen. Simone de Beauvoir als kerkmoeder, niets is ons te dol! Toch heeft de moderne houding jegens het leven wel iets van een quasi-onsterfelijkheid, alsof er geen einde aan komt. Geen leven in oneindigheid, maar leven alsof het eindeloos is.

Nu kent veel meditatie en ascese, zowel christelijk als Oosters, de aanschouwing van de dood (contemplatio mortis) om via wereldverachting (contemptus mundi) tot geestelijk leven op te stijgen, soms door letterlijk een graf te bezien of een schedel voor ogen te houden. Dat is wel heel radicaal en hier niet precies bedoeld: het gaat hier om de liefde tot het leven zelf, maar dan in de erkenning van kwetsbaarheid en eindigheid die de mens drijft tot verdieping van zijn bestaan, herstel jegens zijn naaste en het zoeken van God. Geen vlucht dus uit dit immers door God geschonken leven, maar eeuwig leven al in en vanuit dit broze eindige leven. Zo ook kunnen we de belofte van Jezus begrijpen zoals de evangelist Johannes dat keer op keer verwoordt: het eeuwig leven nu al in dit leven, als ware kennis van God en als liefde tot het leven.

Marcel Poorthuis
Bisdomblad Haarlem, november 2007