Lezing – Bachcantate

Bachcantate ‘Du Hirte Israel, höre’ (BWV 104)

De beeldspraak waarvan onze cantate zich van begin tot eind bedient is een beetje bedenkelijk. De herder en zijn schaapjes, het roept associaties op van volgzame domme gelovigen, die blindelings achter hun leidsman aanlopen. Het wordt nog bedenkelijker als we nagaan wat er nog meer mee gezegd kan zijn: als je niet bij de ene kudde hoort, zeg maar bij de ware kerk, ben je slecht af. Het is verrassend als we de evangelist Johannes even aan het woord laten in zijn evangelie dat bij deze cantate hoort. De goede herder spreekt: “Ik heb ook schapen die niet tot deze stal behoren: ik zal ze leiden en zij zullen mijn stem horen”. Een verfrissende gedachte: de liefde van de goddelijke herder is veel wijder dan de schapen zich kunnen voorstellen. De goddelijke liefde omvat heel de kosmos, op een wijze die het menselijk verstand te boven gaat. Gelukkig maken de schapen niet uit wie wel en wie niet de roepstem van de goddelijke herder mag horen.

Bach heeft dat juist aangevoeld: de hele cantate ademt een lieflijkheid en opgewektheid. Er zit ook wel iets idyllisch in: het idee is dat herders de hele dag maar op hun schalmei spelen terwijl de schaapjes ronddartelen, vandaar de vele hobo’s, en veel muziek in opgewekte driekwartsmaat.

Hier en daar wisselt hij die driedelige figuurtjes af met een lange liggende noot, een orgelpunt, waarna het gesnater van de hobo’s weer des te idyllischer klinkt.

Alleen de goede verstaander hoort achter de idylle de wereld van afgunst en nijd zoals wij die ook kennen. Zo spreekt de eerste stuk over hoe de Bijbelse Jozef wordt gehoed als een schaap. De waarheid is echter dat Jozef slachtoffer werd van de jaloezie van zijn broers. Die jaloezie kunnen we  ons ook wel weer kunnen voorstellen. Jozef kreeg een bont kleed, een fraaie bonus. Wie wil niet zo’n bonus hebben? De afgunst leidde tot vernedering en verlatenheid, maar Jozef kwam er gelouterd en minder arrogant uit: zo werd hij tot een echte leider van zijn volk en kon hij werkelijk leiderschap tonen, als een echte herder die niet met eigen gewin bezig is, maar zich met zijn leven inzet voor zijn schapen. De bescherming van God was er wel voor Jozef, maar toch niet zonder eenzaamheid en confrontatie met zichzelf. Het verhaal van Jozef is het verhaal van ieder van ons, hoe we kunnen groeien en onze ambities en drang om te overheersen kunnen omvormen tot welzijn van anderen.

Merk nog even op hoe in dit stuk telkens de zintuigen elkaar afwisselen: hoor en verschijn, dus oor en oog. Het “verschijn!” klinkt gaandeweg steeds vaker dan het aanvankelijke “hoor”, zodat de dringendheid van de bede steeds inniger wordt.

In de recitatief en aria treffen we opnieuw een spanning aan die maar nauwelijks te ontdekken valt achter de opgewekte muziek: als de hoogste herder voor je zorgt, hoef je nergens zorgen over te hebben, zegt het recitatief. De aria die erop volgt benadrukt echter weer de verborgenheid van God: het gaat niet om een kinderlijk geloof waarin alles is opgelost. De woestijn, lees de eenzaamheid, kan de mens om het hart slaan. Alleen het stamelen van Abba, vader, dat heel de schepping uitroept, brengt het vertrouwen weer terug. Toch lijkt het ook wel alsof het zoeken van de mens naar God nooit eindigt: de vervulling zit in het vragen en zoeken zelf.

Het is misschien toeval, maar ook deel 4, het recitatief, lijkt de boodschap maar half te hebben begrepen. Hij is ervan overtuigd dat de grazige weide hem wacht na dit leven vol kommer en dwaling. Laat de weg nu maar snel geëindigd zijn! “Leid ons maar in uw schaapstal”,
Lass den Weg nur bald geended sein,
Und führe uns in deinen Schafstall ein!

De filosoof Nietzsche zei het al: christenen belasteren het leven en verplaatsen alle goeds naar het hiernamaals. Blijf de aarde trouw, zegt Nietzsches Zarathustra.Maar Bach blijft bijzonder, want ook de daarop volgende aria waarin een diepgaande bas zingt, wijst ons terug naar het leven dat ons gegeven is. Ook Bach blijft de aarde trouw:
Wat zijn jullie toch een gelukkige kudde! De wereld is voor jullie het hemelrijk. “Die Welt ist euch ein Himmelreich”. Het lijkt haast wel alsof de zanger ons wil vertellen dat we niet zo ondankbaar moeten zijn: dit leven is immers een Godsgeschenk! Als we zo leven dat we dit zichtbaar weten te maken hoeven we ook voor de doodslaap niet te vrezen. We weten hoe Bach schildert met muziek: telkens wanneer het woord Todesschlafe klinkt gaat de bas de diepte in. Inderdaad is de sfeer van vertrouwen en herderlijke zorg pas oprecht als ook de angst voor de dood in de ogen wordt gezien. Niet door de dood uit het leven te verdringen en te leven alsof er geen einde aan is, maar door het leven als geschenk te ervaren. Misschien heeft Pim van Lommel toch wel gelijk dat mensen door een bijna-dood ervaring milder en spiritueler worden. In elk geval is Bach er de mens niet naar om de dood te verzwijgen. Ook in zijn eigen leven werd hij vaak met de dood geconfronteerd.

Hoe kan het anders: het slotkoraal is gebaseerd op de beroemde psalm: De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.

Inderdaad, met zo’n herder heb je verder niets nodig. De kracht van die levenshouding blijkt uit vrijheid ten opzichte van alles wat ons bekommert: macht, aanzien, status, eer. Deze cantate heeft iets anders dan al die belangrijke zaken in petto: de ware vrijheid die een mens kan ervaren en die de Goede Herder hem geeft.

Marcel Poorthuis