Johannes Damascenus & Theodorus Abu Qurra – Recensie

Recensie door: Drs. J. KleisenBruna, 30 mei 2011 (www.bruna.nl)

Dit deel van de vroeg-christelijke teksten bevat (delen van) geschriften van de theologen Johannes van Damascus (monnik, rond 700) en Abu Qurra (Melkitisch bisschop, rond 800). Ze behandelen rationele vragen betreffende de relatie tussen christelijk en islamitisch geloof, thema’s die in onze tijd hun relevantie behouden. Ze betreffen vooral Gods bestaan en almacht, de oorsprong van goed en kwaad, de aard van Christus’ goddelijkheid, de betekenis van de eucharistie, of de mens een vrije wil heeft, Gods openbaringen aan Mohammed, de waarde van traditie, de verkieslijkheid van monogamie. Vaak geven ze aanwijzingen hoe christenen met moslims kunnen debatteren. Meestal hebben ze de dialoogvorm, soms met een socratisch begin, maar dan toch overgaand in polemiek. De christen ‘wint’ het debat natuurlijk. De levendige gesprekken vinden echter plaats in een vriendschappelijke sfeer. De teksten zijn nog altijd lezenswaard. De inleiding bespreekt leven en werken van beide auteurs. Naast de vlotte vertaling geeft de linkerbladzij steeds de oorspronkelijke Griekse tekst. Met een literatuuroppave en een aantal verklarende eindnoten. Duidelijke druk.

 

Recensie door: drs. J.D. Kraan (1945-) Een waardevolle historische bijdrage aan de dialoog tussen Christenen en Moslims (www.bruggenbouwers.com)

In de reeks ‘Ad Fontes’ verscheen een nieuw deel, getiteld ‘Johannes Damascenus & Theodorus Abū Qurra, De eerste christelijke polemiek met de islam’.* De vertaling en toelichting is verzorgd door Michiel Op de Coul en Marcel Poorthuis, respectievelijk classicus en hoogleraar interreligieuze dialoog, beiden werkzaam aan de universiteit in Tilburg.

De uitgave mag er zijn en is zeer verzorgd. De griekse tekst is integraal opgenomen, zodat ieder, die deze taal machtig is, de vertaling kan beoordelen. Uit het boek ‘De Ketterijen’ van Johannes van Damascus is het honderdste hoofdstuk opgenomen dat handelt over de Islam. Vanaf p. 47 wordt het werk van Abū Qurra ingeleid en vervolgens weergegeven. Hij krijgt dus de meeste ruimte, en terecht omdat hij, eerder dan Johannes van Damascus, de auteur is van de ‘Disputatio Saraceni et christiani’, zie p. 48. Overigens is dit dispuut wel geschreven in de geest van Johannes van Damascus. Van Qurra zijn ook zijn ‘Opuscula Islamica’ opgenomen, die laten zien dat christenen soms goede kennis van de Islam hadden.

De vader van Johannes van Damascus (ongeveer 675-750) was minister van financiën van de kalief. Johannes van Damascus constateerde, naast grote verschillen, verwantschap met de islam. Hij ging hij er vanuit dat moslims dezelfde God bedoelen als christenen. Dat gebeurde overigens al eerder toen Mohammed zelf sprak met Christenen uit Najran. Interessant is dat in de tijd van Johannes de Koran misschien nog niet samengevoegd was, maar bestond uit een aantal geschriften. Zo noemt hij de langste tweede soera een ‘geschrift’, p. 26. Johannes van Damascus kende de teksten in de Koran waarin gezegd wordt dat Jezus ‘woord’ en ‘geest’ van God is, en hij nodigde moslims uit de trinitarische consequenties te trekken uit die openbaring, zie o.a. de discussie op p. 37.

In de dialoog van Abū Qurra verwijst de moslim [overigens ook wel Saraceen, Hagareen of zelfs barbaar genoemd] op een bepaald moment naar de bijbelse profeet Jeremia; dat is bijzonder, want die profeet wordt niet in de Koran genoemd [zie p. 163].

Uitgebreide noten en goede verklaringen vooraf maken dit boek tot een voortreffelijk naslagwerk. Sommige redeneringen kunnen wij als moderne mensen nauwelijks meer meemaken. Maar daar staat tegenover dat de lange ‘Opusculum 3’ [p. 148-169] weer heel interessante filosofisch getinte bespiegelingen te bieden heeft.

Mohammed stierf in 632. Binnen een eeuw na zijn dood wordt er op dit niveau gediscussiëerd door christenen en moslims. Dat maakt dit boek heel waardevol als historisch document.

Om het boek te gebruiken als voorbereiding op een gesprek met moslims nu is niet aan te bevelen. Daarvoor is niet alleen de afstand met toen te groot, maar worden in deze dialogen ook uitspraken gedaan die nu absoluut niet meer kunnen, al was het alleen maar omdat niet zelden denigrerend over de ander gesproken en het eigen gelijk te triomfantelijk benadrukt wordt.
* Uitgave Meinema, Zoetermeer, 2011, 197p., ISBN 978 90 211 4282 1.