Humanisme en religie – Recensie

Theologen zoeken met filosofen naar een menselijke God
door Peter Henk Steenhuis

Theologen kunnen niet meer uit de voeten met de traditionele God, ze zoeken daarom inspiratie bij de filosofen. Terwijl filosofen juist hun taboe op religie afzwakken. Er ontstaat tweerichtingsverkeer.

Anderhalve week geleden nam de Kampense hoogleraar ethiek Frits de Lange in Trouw afscheid van God. Althans van de ouderwetse, christelijke God, de ’supranaturalistische God’, een persoon die in de hemel huist en tot wie de gelovige zich in het gebed richt, in de hoop Zijn ingrijpen te kunnen beïnvloeden. In die God kan De Lange niet meer geloven.
Natuurlijk, De Lange’s afscheid is niet op één dag vast te pinnen. Zelf spreekt hij daarbij van een ’sluipende secularisatie’. „Een proces dat zich in de loop van de jaren in mijn theologische en kerkelijke bestaan heeft voltrokken.”
Onderdeel van dat proces was een grondige inspectie van zijn boekenkast. Er kon nogal wat uit, vooral theologisch werk. Hij bleek het aan de straatstenen niet kwijt te kunnen. Theologie was uit de mode. Opmerkelijk genoeg bleek het filosofisch gedachtegoed uit zijn boekenkast langer houdbaar. Wat nu? Moest de voormalige rector van de Theologische Universiteit Kampen maar college filosofie gaan geven of was de theologie nog te redden? Ja. De Lange wenste ’een deconstructie van het bovennatuurlijke theïsme’. Om nog te kunnen geloven moesten we het ouderwetse beeld van God in de hemel afbreken en er wat anders voor in de plaats stellen.
Wat? Over die vraag gaat het boek ’De God van de filosofen’, dat tegelijk verscheen met De Lange’s afscheid van God. De titel is een verwijzing naar een uitspraak van de filosoof Blaise Pascal (1623-1662). Enkele dagen na zijn dood werd er in de voering van zijn jas een klein opgevouwen perkament gevonden, beschreven door de hand van Pascal. Het begint met de woorden: ’God van Abraham, God van Izaäk, God van Jacob, niet der filosofen en geleerden.’
Sinds de vondst zijn er talloze en prachtige boeken verschenen over het verschil tussen beide goden. Telkens keerde de vraag terug of de God van de filosofen het hoogste representeerde wat het redelijk denken ons te zeggen heeft als het gaat om de zin van het bestaan. En even vaak werd dit denken tegenover de God van de Vaderen geplaatst, die uit een heel andere traditie stamt, en zich in het christendom ontwikkeld heeft tot de supranaturalistische persoonlijke God, van wie De Lange afscheid nam.
De filosofen namen al veel eerder afscheid van God. In de twintigste eeuw waren velen van hen het eens met de stelling van Nietzsche: ’God is dood’. Het huis van God was afgebroken en in de ruïnes hadden filosofen weinig meer te zoeken. Over het fenomeen religie, ja, daar kon je nog wel over denken. Maar hoe kun je nadenken over een fenomeen dat naar je stelligste overtuiging niet meer verschijnt, dat dood verklaard is. Een lastige opgave.
Toch bleven denkers zich met God bezighouden. En de laatste jaren zelfs steeds sterker. „Ik geloof dat ik geloof”, luidde een uitspraak van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo. Over hem schrijft Ger Groot een pittig maar fraai stuk in ’De God van de filosofen’. De terugkeer van de godsdienst is volgens Vattimo realistisch doordat het christendom zich „vooral via het protestantisme heeft ontwikkeld tot een godsdienst waarin het lezen van het Boek centraal staat”. Daardoor verschoof de aandacht van een absolute, zelfstandige God naar een „God die slechts in een menselijke lees- dus interpretatiearbeid gestalte krijgt”. De filosoof Vattimo doet precies wat de theoloog De Lange wenst: hij breekt het traditionele beeld van een supranaturalistische God af, en vermenselijkt hem.
Toen De Lange afscheid nam van God was het boek ’Humanisme en religie’ al even uit. Nog zo’n opvallende titel, vooral door het woordje ’en’. Zoals de inleiders schrijven stonden humanisten en religieuzen eeuwenlang op gespannen voet met elkaar: „Voor de humanist was religie een manier om mensen klein en dom te houden, zij was het tegendeel van autonomie en vrije keuze. Voor de gelovige kwam het humanisme neer op het zich afwenden van goddelijke levenswetten, op relativisme en morele onverschilligheid.”
Dat is voorbij. Goed mogelijk dat in een tijd van levensbeschouwelijke vervlakking humanisme en religie elkaar de hand kunnen reiken. Joachim Duyndam zegt daar in ’Humanisme en religie’ over: „Maar net zoals er mensen zijn die af en toe verhuizen, of er meerdere huishoudens tegelijk op na houden, of zelfs nomadisch zijn, zo is er in principe ook levensbeschouwelijk allerleisoortig verkeer mogelijk. Toch is dergelijk grensverkeer in het verzuilde Nederland altijd tamelijk zeldzaam gebleven.”
Duidelijk is dat het grensverkeer toeneemt, het is de laatste tijd zelfs opmerkelijk druk rond het huis van God. De humanisten staan voor de voordeur te wachten om te worden binnengelaten. Tegelijkertijd verlaat de theoloog het huis via de achterdeur, om het terrein van de filosoof te betreden, die tot zijn verrassing in de achtertuin druk in de weer is met theologische brokstukken.

Donald Loose en Anton de Wit (red): @De God van de filosofen. Een ommekeer van de fenomenologie. Uitg. Damon; ISBN 90 5573 631 7, €17,90.

Joachim Duyndam, Marcel Poorthuis, Theo de Wit:@ Humanisme en religie. Controverses, bruggen, perspectieven. Uitg. Eburon; ISBN 90 5972 046 6, €29,50.

Bron: http://www.trouw.nl