Bijbelse parabels

Onderzoekslijn – Bijbelse parabels (NWO)

Dit onderzoeksproject onderzoekt de bloeitijd en de teloorgang van vroeg Joodse en christelijke parabels. Het onderzoek cirkelt rond de hypothese dat de bloei van dit genre plaats vond in het culturele en religieuze milieu van het noorden van het land Israël in de Laat Antieke Oudheid, in het bijzonder Galilea. Met het opkomst van de christelijke beweging in een stedelijke context buiten Galilea verloor de parabel haar directe zeggingskracht en werd ze object van uitleg en commentaar. De vroeg-Rabbijnse beweging in Galilea daarentegen continueerde de productie van parabels. Deze fungeerden als ondersteunend narratief in een nieuwe religieuze cultuur gebaseerd op de studie van de Joodse wet, de Tora. Daarmee onderzoekt dit project de ontwikkeling van dit genre als een indicatie voor de wording van het Christendom en het Rabbijnse Jodendom tot twee zelfstandige religies. Parabels zijn kleine vertellingen die elementen en gebeurtenissen uit het dagelijkse leven aangrijpen om een religieuze werkelijkheid te verduidelijken. Bedoeling van een parabel is dat de toehoorder of lezer het probleem herkent en zich identificeert met het verhaal, om inzicht op te doen of conclusies te trekken. Om verstaanbaar te kunnen zijn dienen verteller en toehoorder of lezer over een vergelijkbaar cultureel referentiekader te beschikken. Zowel van Jezus als de rabbijnen en hun voorlopers zijn veel parabels bekend. Tot nu toe is echter weinig vergelijkend onderzoek gedaan. De vaak frappante verwantschap in plot, karakters en motieven vereist een nadere duiding, als ook het verdwijnen van dit genre in het vroege christendom. Het project onderzoekt de relatie tussen beide collecties vanuit hun verhouding tot de sociaal-culturele werkelijkheid van het vroege Jodendom van Galilea in de eerste eeuw na Chr. en vanuit de hypothese, dat het einde van de narratieve parabels in het Christendom van de tweede eeuw de scheiding weerspiegelen tussen Jodendom en Christendom. Het project behelst vier deelonderzoeken:

Ten eerste stelt het de vaak moeilijk toegankelijke rabbijnse bronnen beschikbaar in een wetenschappelijk verantwoorde studie-editie van vroeg-Rabbijnse (Tannaitische) parabels, met Hebreeuwse tekst, varianten in manuscripten en parallelversies, een Engelse vertaling en een inleidend commentaar. Ten tweede onderzoekt het aan de hand van drie deelstudies de relatie tussen parabels en de sociaal-historische werkelijkheid van de eerste en de tweede eeuw n. Chr.. Daarbij maakt het onderzoek gebruik van de notie van een ‘Bildfeld’, hetgeen inhoudt dat toehoorders en lezers beschikten over een gedeeld cultureel kenniskapitaal. Dat ‘Bildfeld’ wordt ontrafeld door te kijken naar intertekstuele verwijzingen, Joods wettelijke tradities, archeologische data over sociaal en economisch leven in Galilea en de sociaal-historische context. Door nieuwtestamentische en Rabbijnse parabels waarin familieverhoudingen een rol spelen in samenhang te onderzoeken krijgen we een beeld hoe parabels reageren op spanningen in de sociale werkelijkheid. In een onderzoek naar slavenparabels staat centraal hoe vroeg christendom en Rabbijns Jodendom aankeken tegen deze antieke institutie. In beide onderzoeken komt bovendien de beeldwaarde van begrippen als vader, zoon, slaaf, meester e.d. aan de orde: welke betekenissen associeerde men bij het horen van deze woorden in een fictief verhaal? Een derde project onderzoekt maaltijdparabels en gaat na, hoe maaltijden gemeenschap scheppen of bestaande gemeenschapsvormen onder kritiek stellen. De samenhang tussen bestaande realiteiten en nieuwe religieuze verbanden in de vorm van vrijwillige genootschappen en rondtrekkende groepen leerlingen met hun leraar komt bij ieder project aan de orde. In alle onderzoeken wordt, om een helder beeld te krijgen van veranderingen in de sociale werkelijkheid, tevens gekeken naar culturele fenomenen als eer en gender. Eer is in een laat Antieke oudheid een schaars cultureel kapitaal, dat de samenhang van een gemeenschap in stand houdt maar dat ook onder druk kan komen te staan. Hoe wordt de economie van eer in parabels gethematiseerd? Gender speelt vooral in parabels die familieverhoudingen vooronderstellen. Hoe komt het dat dochters en getrouwde vrouwen geen rol spelen in Christelijke parabels en wel voorkomen in Rabbijnse parabels? Een afsluitende studie betrekt de deelresultaten op de overkoepelende vraagstelling naar de scheiding tussen Jodendom en christendom. De hypothese die hier haar toetsing krijgt is dat het einde van de narratieve parabels een indicatie is voor de breuk van het Christendom met haar Joodse matrix. De verandering van dit genre als indicatie voor een nieuwe religieuze werkelijkheid wordt op tweeledige wijze getoetst. Binnen een chronologische as vergelijken we de Rabbijnse Schriftparabels met de manier waarop Patristische en gnostische bronnen parabels uitleggen. In een geografische as kijken we naar het latere Rabbijnse Jodendom en de wijze waarop men daar met parabels omgaat. Hiermee zal de hypothese worden getoetst, dat de ontwikkeling van het genre van de narratieve parabel een indicatie is voor een scheiding tussen Rabbijns Jodendom en Christendom aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw.

Voor meer informatie klik hier.